
vart jag mig i världen vänder
står jag här med tomma händer
längtar efter något som kan rädda mig

Conté, camembert, roquefort, gorgonzola, gatenkaas uit Zwitserland. Hazelnoten, walnoten, amandelen en rozijnen. Druivenbladen met daarop kleine broodjes. Een zelfgemaakte paté van kippenlevers, pistachenoten en gedroogde abrikozen. De paté, omzwachteld met spek, staat centraal op de tafel, geflankeerd door herfstboeketten van oranje eikenbladeren, rozenbottel en gedroogde hortensia’s. De eetkamer is zwak verlicht door kaarsen op het uiteinde van de tafel en de haard die flauw licht en warmte geeft. De rode fluwelen gordijnen al jaren dicht om het nachtelijke licht van de stad uit het huis te houden. (De herinnering aan een maagdelijk meer moest behouden blijven.)
“Ik leef, maar heb geen god te danken. Ik ga de krant zelfs niet meer halen. Het fruit droogt op, het huis is muf en stinkt naar duiven en stof. Hij staart naar de portretten aan de muur. Hij staart naar de gordijnen, die zijn stad verhullen. ”
Artificiële zielen, personages in een decor. Een wit nachtkleed, met franjes aan de mouwen en de hals. De kale takken van de berk naast het raam kleven tegen de dreigende lucht, als vernauwde kransslagaders van een zieke long. Zwartgeblakerd door de mist en de nacht.
“De mist zet op. Kom vlug slapen, kom.”
Ze kijkt naar haar nagels, ongelijk geknipt, een paar waren er gebroken. Haar vingertoppen zien rozig, de rest van haar handen gelig en blauw geaderd. Ze peutert de slotjes los van haar gouden armbandjes en legt ze naast elkaar, van groot naar klein, op het tafeltje. Kaders op het nachttafeltje. Haar vader, haar man, haar zoon.
“Vergeet u de kaarsen niet te doven, dat lukt u nog net mag ik hopen?”
De rode cijfers op de wekker geven vijf uur aan. De zware beige bebloemde dekens liggen opzij gerold, haar witte nachtjurk omhoog getrokken en gescheurd. Haar armen en hals liggen levenloos tegen de franjes, als verwelkte tulpen in een vaas. De lucht is zwart. Enkel wolken, geen maan. Het glas water staat nog steeds op het kastje.
When Love is lost, the laughter's good and gone,
The sun sinks down, the heavy fog rolls in,
Nothing is left to say and you know that no good
Will ever come of this,
Life will never again be miraculous.
Tall dark woman in the café, I see
How the tears glitter in your blue eyes.
You drink black coffee for bravery
And weep onto the front page of the Times.
I had a love once too who now is gone, is
gone, she's gone. The waves roll along
The coast, the sweet summer rain blows in.
If I knew you, I'd sit by your side and sing:
This world is not our home, we're only
passing through.
G. Keillor

Ik droomde ooit van treinreizen zoals deze, Nora. Treinritten die je bij ons niet maken kunt. Treinreizen naar het onbekende, over water en land; door tunnels en rode steden. Jij weet goed wat ik droomde, dat vroeg je toch steeds. het park, aan de banken. Het was toen te koud, bij die fontein. We dronken wat en lachten luid. “Daar droom jij van? Van treinreizen?”, terwijl de wind het fonteinwater in onze haren blies. Ja, daar droomde ik van. Dan keek ik uit het raam en zag de wolken. Roze wolken, paarse wolken. Wolken die verdwenen en wolken die verschenen. Opbollende wolken, explosies in de lucht. Torens van pluis en waterstof. En de trein die ruist, en de trein die rijdt. De trein die muziek geeft aan de wolken. De wolken zijn muziek, Nora. De wolken zijn muziek. En ze blijven maar spelen, melodieën, geen explosies. Symfonieën en improvisaties. Kandinsky trekt de strepen en de natuur speelt verder. Muziek, geen beelden. Niets statisch, maar klanken die vervagen en verkleuren in de zon. Notenbalken, concerto’s boven zee, zwanger van water, lucht en elektriciteit. Zo droomde ik van die treinen, Nora. Nu kijk ik door het raam en zie ik de wolken.
De wolken zijn hier anders. Ze zijn niet zwanger van westenwind. Ze zijn mager en vegen de lucht schoon. Borstels in de lucht. Kssj, kssj. Is dat de trein of zijn dat die wolken? De trein, de wolken, kadans kadans! De wolken die jagen, de wolken die vegen. Ze nemen geen zout mee van de zee, maar de wind sleept ze door Kattegat, door Skagerrak. De wolken schuren de kusten hier plat. De kusten zijn vlak, net zoals de onze. Heel vlak. Nog platter zelfs. (maar zonder hoge torens) De duinen zijn hier weggewaaid. Hier spelen geen kinderen, hier staan geen flatgebouwen, maar naaldbomen. Donkergroene naaldbomen aan een blanke kust, een witte kust, een kust die de mijne niet is. De bomen vliegen, de wolken glijden, de zee die golft en slaat. Mijn hersenen halen trucs uit met mijn ogen. Ze zien alles ruisen. Strepen, strepen, witte, roze, groene strepen. Kadans kadans. Kssj, kssj, roetsj, roetsj, nevelpluis. Dit nieuwe is niet eng, je hoeft niet bang te zijn. Dit nieuwe is niet als een zaal vol nieuwe mensen, of een straat met oude gekenden. Het is zo nieuw dat ik nog niet weet wat ik moet denken. Als een baby die leert stappen. Enthousiast tot zijn eerste val. Maar ik ben nog niet gevallen, hier, in ‘t noorden viel ik nog niet. Hier ken ik de gezichten niet, ze kijken me niet aan, strepen op de fiets-iets-iets. Het is niet vroeg meer, maar de zon hangt laag en schijnt tussen het graan op de velden. De wolken zijn nog roze. Ze zijn zelfs blauw. Zag jij al blauwe wolken? De reflectie van de treinramen, zal je denken. Nee, blauwe wolken! Blauw! Blauw zonder zon. De zon is nog tussen ‘t graan. Geen damp op de grachten, geen spits op de wegen. De mannen rusten nog, de vrouwen zijn gaan werken en de wolken pakken samen in het oosten van dit land, waar ik heen moet gaan.